Loo van Eck | de grootste opleider in schrijven

Met een werkwoord in de tegenwoordige tijd kun je verwijzen naar het nu, het verleden of de toekomst. Zolang je het maar op de juiste manier doet.

 

Je staat bij de bij de bakker. Je bestelt een heel gesneden speltbrood. Als de bakker het brood in een zak doet, roep jij ‘en 4 gevulde koeken, alstublieft’. Vervolgens vraagt de bakker:

 

‘Had u anders nog iets gewild?’

Telkens weer geïrriteerd 

Iedere week hoor ik het een paar keer. En iedere week irriteert het stiekem een paar keer. Je herkent de situatie ongetwijfeld. Of je de irritatie ook herkent … Misschien.

Hoezo de voltooid verleden tijd?

Had. Gewild. Hoezo communiceert de bakker in de voltooid verleden tijd? Jij staat hier toch NU? En je zit toch nog ‘midden’ in je bestelling? Als hij zou vragen: ‘Wilt u verder nog iets bestellen?’ is dat toch logischer? Tenzij de bakker met jou mee naar huis gaat. Thuis in de keuken bij het opruimen van je boodschappen zeg jij balend: ‘Ai … vergeten!’. Als de bakker dán zou vragen ‘had u nog iets anders gewild?’, dan zou dat een hele logisch geformuleerde vraag zijn. Want je had het wel gewild, maar ja, je bent nu al thuis.

 

Meer weten over spelling van werkwoorden? Lees dan de blog Werkwoordspelling: vergis je nooit meer in d, t of dt.

Dit soort zinnen zijn niet altijd onlogisch!

Zo is het een misverstand dat je de tegenwoordige tijd alleen kunt gebruiken bij het beschrijven van een gebeurtenis die samenvalt met het spreekmoment. Want je kunt de tegenwoordige tijd prima gebruiken om dingen te beschrijven die in het verleden hebben plaatsgevonden! Volgens de Taaladviesdienst is dit zelfs een beproefd middel om het dramatische effect van de boodschap te verhogen. Het tijdstip van de beschreven handeling hoef je dan niet per se uit te drukken met het werkwoord. Je kunt namelijk ook kiezen voor een bijwoordelijke bepaling of de context.

Wat is een bijwoordelijke bepaling ook alweer?

Bijwoordelijke bepalingen geven nadere informatie over de handeling, het gebeuren of de toestand die in de zin wordt uitgedrukt. Er zijn veel verschillende bijwoordelijke bepalingen.

En voorbeeld van een bijwoordelijke bepaling van tijd:

De bakker opent volgende week een nieuwe winkel.

Voorbeeld van tegenwoordige tijd in een bijwoordelijke bepaling die iets beschrijft dat in het verleden heeft plaatsgevonden:

Wil ik gisteren na werk nog snel wat gebak halen, is de hele bakkersvitrine al leeggehaald!

Voorbeeld van tegenwoordige tijd in de context die iets beschrijft dat in het verleden heeft plaatsgevonden:

(Het is al lang geleden, maar ik zal de eerste verjaardag van mijn zoontje nooit vergeten …) Alle visite is net binnen. Ik loop met mijn perfect zelfgemaakte gebakjes op die grote schaal richting de eettafel. Ik struikel. En al het gebak valt op de grond …

 

Meer weten over begrippen als ‘onderwerp’ ‘persoonsvorm’ en ‘werkwoord’? Lees dan de blog Grammatica: een aantal begrippen kort uitgelegd

Nu, verleden en toekomst 

Met een werkwoord in de tegenwoordige tijd kunnen we dus eigenlijk verwijzen naar:

  • nu
  • het verleden
  • de toekomst (Volgende week laat ik je wel weten of ik mijn verjaardag nog vier)

Zolang je het maar op de juiste manier doet.




Top
chat