Loo van Eck | de grootste opleider in schrijven

Lees welke spelfouten we veel tegenkomen. Wat mensen moeilijk vinden aan de Nederlandse grammatica. En doe je voordeel met onze tips om foutloos te schrijven.

Een tikfoutje is zo gemaakt. Door iedereen. Zeker als je haast hebt. Bovendien weet niet iedereen hoe je bijouterieën, przewalskipaard of taboeïsering schrijft. En dat het uit-en-ter-na is (met streepjes), maar ook uitentreuren (aan elkaar, zonder streepjes). Laten we daar niet al te krampachtig over doen en iedereen zijn, haar of diens eigen vergissinkjes zo nu en dan gunnen.

Spinazie tussen je tanden

Dat neemt niet weg dat wanneer er veel spelfouten staan in je e-mail, chatbericht of andere tekst de lezer daardoor enorm afgeleid kan zijn. Net als wanneer je tegen iemand spreekt terwijl je spinazie tussen je tanden hebt. Je loopt dan het risico dat je boodschap minder goed overkomt. Of dat de lezer het gevoel krijgt dat jij je tekst met veel haast hebt opgeschreven omdat je het liefst zo min mogelijk tijd aan diegene besteedt. Die indruk wil je uiteraard niet achterlaten, zeker niet in je zakelijke teksten.

Fris je kennis van de Nederlandse spelling en grammatica op

Alle reden dus om je kennis van de belangrijkste spellingsregels even op te frissen. In deze blog lees je wat vaak fout gaat. En hoe je ervoor zorgt dat jij deze fouten voorkomt. Aan bod komen: werkwoordspelling (d of t), hun of hen, als of dan, die of dat, enige of enigste, aan elkaar of los en de tussen-n. Veel van deze tips komen uit ons boekje: ‘Als ik me goed vergis ’. Aanschaffen dus!

1. Werkwoordspelling: d, t of dt?

Ik begin gelijk met een onderwerp dat heel veel mensen heel erg lastig vinden: werkwoordspelling. En dan vooral de vraag: schrijf je op het einde van het werkwoord een ‘d’, ‘t’ of ‘dt’?

1.1 Werkwoorden - tegenwoordige tijd

Allereerst de werkwoorden die je gebruikt om aan te geven dat iets nu gebeurt: de tegenwoordige tijd.

 

voorbeelden werkwoordspelling tegenwoordige tijd

 

Je ziet dat je de:

  • ik-vorm vaak maakt door de stam te nemen. Dat is meestal het hele werkwoord en dan ‘en’ ervan af. Maar soms verandert er meer, zoals bij verhuizen (verhuis), geloven (geloof), staan (sta) en zien (ziet);
  • jij/zij/hij/die/u/het-vorm maakt door aan de ik-vorm een ‘t’ toe te voegen;
  • wij/zij-vorm maakt door het hele werkwoord te nemen.

(We kiezen in deze blog voor ‘die’ als genderneutrale aanspreekvorm. Sommige mensen geven de voorkeur aan ‘hen’. Als je ‘hen’ op die manier gebruikt, gelden daarvoor dezelfde regels als voor jij/hij/zij/die/u/het.)

Geen ‘-t’ als je een vraag stelt met ‘je’ of ‘jij’

Maak je een vraag met ‘jij’ en komt ‘jij’ dan achter het werkwoord? Dan komt er geen ‘t’ achter de ik-vorm. Meestal hoor je dat wel. Bijvoorbeeld bij deze vraag: ‘stuur je Layla een e-mail?’. Maar als de ik-vorm zelf op een ‘d’ of ‘t’ eindigt, kun je dit niet horen: ‘word jij straks gebeld?’. Gelukkig is er een trucje: vervang het werkwoord door een ander werkwoord waarvan de ik-vorm niet op een d- of t-klank eindigt. Zoals smurfen:

 

  • Is het ‘vind u’ of ‘vindt u’?
    Vindt u’ (smurft u)

  • Is het ‘vind je’ of ‘vindt je’?
    ‘Vind je’ (smurf je)

1.2 Werkwoorden - verleden tijd

De verleden tijd gebruik je wanneer iets geweest is. In het Nederlands hebben we sterke en zwakke werkwoorden:

 

voorbeelden sterke en zwakke werkwoorden

Sterke werkwoorden

Bij sterke werkwoorden verandert de klinker in de verleden tijd. Daar zijn geen regels voor. Het is een kwestie van goed luisteren dus.

 

Voorbeelden van sterke werkwoorden

Zwakke werkwoorden

Bij zwakke werkwoorden verandert de klinker niet. De verleden tijd maak je door:
• Ik-vorm + de(n): of
• Ik-vorm + te(n):

 

 Voorbeelden van verleden tijd van zwakke werkwoorden

Het ‘t ex-kofschip

Meestal hoor je wel of je voor de variant met een ‘t’ of met een ‘d’ moet kiezen. Is dat niet het geval? Dan is het ‘t ex-kofschip een goed ezelsbruggetje voor je:

  1. Bepaal de stam.
  2. Kijk naar de laatste letter:
    • is dit een t, x, k, f, s, c, h, of p? Schrijf een ‘t’.
    • is dit een andere letter? Schrijf een ‘d’.

Belangrijk is dat je naar de stam van het werkwoord kijkt. Die is niet altijd gelijk aan de ik-vorm. De stam van verhuizen is ‘verhuiz’ (de ik-vorm: ‘ik verhuis’). De ‘z’ zit niet in het ‘t ex-kofschip. Dus: ‘hij verhuisde’ (en niet ‘hij verhuiste)’.

Dubbele d’s en t’s

Ook als de stam op een ‘d’ of ‘t’ eindigt, plak je er ‘de(n)’ of ‘te(n)’ achter. Hierdoor krijg het werkwoord een dubbele ‘d’ of ‘t’.

1.3 Werkwoorden – voltooid deelwoord

Een voltooid deelwoord komt bijna altijd voor in combinatie met hulpwerkwoorden als: zijn, hebben of worden. In veel gevallen kun je gewoon luisteren en weet je hoe je het voltooid deelwoord schrijft:

  • Ik ben naar Franeker gelopen.
  • Ik heb een boterham gegeten.

Op het einde een ‘t’ of ‘d’?

Maar als je op het einde een ‘t’ hoort, moet je soms een ‘t’ schrijven en soms een ‘d’. En dan heb je het ‘t ex-kofschip weer nodig:

  • Wij zijn vorige week verhuisd. (stam is ‘verhuiz’, de ‘z’ zit niet in het ‘t ex-kofschip, dus een ‘d’ op het einde.)
  • Je hebt je schoenen gisteren nog gepast. (stam is ‘pas’, de ‘s’ zit wel in het ’t ex-kofschip, dus een ‘t’ op het einde.)
  • Die heeft dat met mij gedeeld. (stam is ‘deel’, de ‘l’ zit niet in het ‘t ex-kofschip, dus een ‘d’ op het einde.)
  • Zij heeft een appel gepakt. (stam is ‘pak’, de ‘k’ zit wel in het ‘t ex-kofschip, dus een ‘t’ op het einde.)

1.4 Engelse werkwoorden

Woorden die oorspronkelijk uit het Engels komen, gedragen zich wat vreemd. Bijvoorbeeld als ze eindigen op een ‘e’ die je niet uitspreekt. Die ‘e’ blijft staan in vervoegingen in het Nederlands:

  • Ik manage, hij managet, ik heb gemanaged
  • Ik lease, hij leaset, ik heb geleaset

2. Is het hen of hun?

Tijd voor iets anders dan werkwoorden. Ik heb een vraag voor je: als je collega’s jarig zijn, feliciteer je hun dan? Ja? Dat is supersociaal van je. Maar je hebt vast wel begrepen dat ik de vraag vooral stelde om een veelgemaakte grammaticale fout te laten zien. In mijn vraag had ik namelijk ‘hen’ moeten gebruiken in plaats van ‘hun’. Is je dat zo snel niet opgevallen? Dan hoef je je niet te schamen hoor. Heel veel mensen gebruiken ‘hun’ en ‘hen’ door elkaar, zeker in de spreektaal.

Hen of hun: de regels

De regels voor ‘hen’ of ‘hun’ zijn echter best gemakkelijk:

 

  • Gebruik ‘hen’ ...
    • … na een voorzetsel. (De bezorger gaf het pakketje aan hen.)
    • … als er geen voorzetsel voor staat en je het er ook niet bij kunt denken. (Wij hebben hen niet uitgenodigd.)

 

  • Gebruik ‘hun’ ...
    • … als ‘hun’ vervangbaar is door een ‘voorzetsel + hen’. Het is dan een meewerkend voorwerp. (De bezorger gaf hun het pakketje.)
    • … als er een zelfstandig naamwoord achter staat en je het kunt vervangen door ‘mijn’ of ‘jouw’. Het is dan een bezittelijk voornaamwoord. (Het is hun huis.)
(Meer weten over begrippen als ‘onderwerp’ ‘persoonsvorm’ en ‘werkwoord’? Lees dan de blog Grammatica: een aantal begrippen kort uitgelegd.)

3. Is het als of dan?

Nog zo’n geval waarbij veel mensen niet het officiële Nederlands gebruiken. En waarmee je taalpuristen flink op de kast kunt krijgen: als of dan.

 

  • Je gebruikt ‘dan’ als je zaken vergelijkt die ongelijk of niet hetzelfde zijn (groter dan, beter dan):
    Het bod op het huis was hoger dan de vraagprijs.

  • Je gebruikt ‘als’ als je zaken vergelijkt die hetzelfde zijn:
    Het bod op het huis was even hoog als de vraagprijs.

  • Je gebruikt ‘als’ ook als ‘zo’ onderdeel uitmaakt van de vergelijking:
    Het bod op het huis was 1,5 keer zo hoog als de vraagprijs.
(Wil je onze schrijfhulp altijd bij je in de buurt hebben? Download dan de LVE-app in de App Store of Play Store. Ook daarin leggen we de belangrijkste taalregels helder en duidelijk uit.)

4. Is het die of dat?

Twijfel je of je ‘die’ of ‘dat’ moet gebruiken om naar een zelfstandig naamwoord te verwijzen? Probeer dan of je er ‘de’ of ‘het’ voor kunt zetten.

 

  • ‘Die’ gebruik je als je er ‘de’ voor kunt zetten (mannelijke en vrouwelijke woorden en meervoud):
    • die man (want ‘de man’)
    • die vrouw (want ‘de vrouw’)
    • die kinderen (want ‘de kinderen’)

  • ‘Dat’ gebruik je als je er ‘het’ voor kunt zetten (onzijdige woorden):
    • dat kind (want ‘het kind’)
    • dat gebak (want ‘het gebak’)

5. Is het enige of enigste?

Als je goed luistert, hoor je regelmatig iemand ‘enigste’ zeggen. Maar dat is dan meestal niet correct. Een voorbeeld:

 

  • Dat is mijn enige hoop.
  • Is de situatie echt wanhopig, dan hoor je iemand misschien zeggen: dat is mijn enigste hoop. ‘Enigste’ is hier bedoeld als overtreffende trap van ‘enige'. Maar ‘enige’ geeft al aan dat er geen tweede is, dus strikt genomen is dit fout.

Het allerleukste

Toch bestaat het woord ‘enigste’ wel. Maar dan in de betekenis van ‘allerleukste’ of ‘allermooiste’. Bijvoorbeeld: ‘Ik heb heel veel enige jurken, maar dit vind ik mijn enigste jurk.’ Echter, de kans dat je iemand in de praktijk ‘enigste’ in deze betekenis hoort gebruiken is erg klein. Dit in tegenstelling dus tot het foutieve gebruik van ‘enigste’.

6. Schrijf je dit woord aan elkaar of los?

Aan elkaar schrijf je nooit aan elkaar. Maar er zijn ook woorden die je zowel los als aan elkaar kunt schrijven. Maar let op: de betekenis verandert erdoor.

Te veel of teveel, te kort of tekort

  • Is het woord bijvoeglijk gebruikt? Dan schrijf je het los:
    • Ze heeft te veel geld ontvangen.
    • Ik heb te kort getraind.
    • Hij voelt zich te goed voor de klus.

(Tip: In deze zinnen kun je ‘te’ weglaten zonder dat de zin ongrammaticaal wordt: ze heeft […] veel geld ontvangen.)

 

  • Is het een zelfstandig naamwoord? Dan schrijf je het aan elkaar:
    • Het teveel heeft ze direct terugbetaald.
    • Een tekort aan vitamine D kan vervelende gevolgen hebben.

Zo ver of zover?

  • Gebruik ‘zo ver’ als het over een afstand gaat:
    • Zijn kamer ligt niet zo ver van jouw kamer.
  • Gebruik ‘zover’ als het over een tijdsmoment gaat:
    • Het is zover: het besluit is genomen!

Hoe lang of hoelang?

  • Gebruik ‘hoe lang’ als het over een afstand gaat:
    • Hoe lang is deze weg?
  • Gebruik ‘hoelang’ als het over tijd gaat:
    • Hoelang duurt het nog voordat we er zijn?

Zo veel of zoveel?

‘Zoveel’ en ‘zo veel’ mogen beide als je het woord kunt vervangen door ‘zo weinig’ of ‘veel’:

  • Ik heb zoveel te doen.

Het is wel netjes als je binnen een tekst voor een van beide vormen kiest.

 

Kun je het woord niet vervangen door ‘zo weinig’ of ‘veel’? Dan schrijf je ‘zoveel’:

  • Ik moest vijfendertig euro zoveel betalen voor de boodschappen.

Ten slotte of tenslotte?

  • Bedoel je letterlijk tot slot? Dan schrijf je dit woord los:
    • Ten slotte nog een paar laatste opmerkingen.
    • We gingen eerst naar Parijs, toen naar Rome en ten slotte ook nog naar Berlijn.
  • Gebruik je de figuurlijke betekenis per slot van rekening? Dan schrijf je het aan elkaar:
    • Tijd om naar bed te gaan. Jij bent tenslotte pas 5 jaar.
    • Ik betaal de schade wel. Ik ben tenslotte degene die het hekje omver heeft gereden.

Ten minste of tenminste?

  • Bedoel je letterlijk op zijn minst? Dan schrijf je dit woord los:
    • Je moet ten minste 1 keer raak gooien om kans op een prijs te maken.
    • Je hebt ten minste 3 spelers nodig om dit spel te kunnen spelen.
  • Gebruik je de figuurlijke betekenis althans of in ieder geval? Dan schrijf je het aan elkaar:
    • We worden kampioen. Tenminste als we zo blijven spelen.
    • Je bent een veel betere speler dan hij. Je leidt tenminste geen onnodig balverlies.

7. Wel of geen tussen-n bij samengestelde woorden?

De basisregel voor een tussen-n in samengestelde woorden is niet zo moeilijk. Maar… er bestaan heel veel uitzonderingen op die basisregel. En dat maakt de tussen-n alsnog een lastig onderwerp.

De basisregel

  • Bestaat een woord uit 2 zelfstandige naamwoorden? En eindigt het eerste woord in meervoud altijd op ‘en’? Dan schrijf je een tussen-n.
  • Eindigt het eerste woord in het meervoud op een ‘s’ of op een ‘n’? Dan schrijf je geen tussen-n.

 Dus:

  • Krantenartikel (want ‘kranten’)
  • Pannenkoek (want ‘pannen’)
  • Secretaressedag (want ‘secretaressen’ of ‘secretaresses’)
  • Gedachtewisseling (want ‘gedachten’ of ‘gedachtes’)

De vele uitzonderingen

Zoals gezegd, er zijn meerdere uitzonderingen op de basisregel. In de volgende gevallen schrijf je geen tussen-n:

Bijvoeglijk naamwoord

Het woord is in zijn geheel een bijvoeglijk naamwoord en het eerste deel van de samenstelling heeft een versterkende betekenis (je kunt het vervangen door ‘heel erg’):

  • boordevol (heel erg vol)
  • stekeblind (heel erg blind)

Enig in zijn soort

Het eerste deel van het woord verwijst naar een persoon of zaak waarvan er maar 1 bestaat:

  • hellevuur
  • maneschijn
  • zonnestraal

Versteend en vermeend

Een van beide delen is niet meer herkenbaar als afzonderlijk woord in de oorspronkelijke betekenis. Dit noem je een versteende of vermeende samenstelling. Met een tussen-n zouden deze woorden een raar woordbeeld opleveren:

  • bruidegom
  • wissewasje

Deze laatste regel is erg lastig. Want wanneer is een samenstelling nu precies versteend? Daar is helaas geen duidelijke definitie van.

8. Wel of geen tussen-n bij afleidingen?

Niet alleen woorden die zijn samengesteld uit 2 zelfstandige naamwoorden zijn lastig als het gaat om de tussen-n. Ook woorden met een achtervoegsel brengen je misschien aan het twijfelen. En ook hier zijn de regels niet zo gemakkelijk:

 

  • Als het hoofdwoord zelf op een ‘n’ eindigt, laat je die staan: eigendom, leugenachtig, wetenschap.
  • Hoor je een uh-klank in het midden? En is het achtervoegsel ‘-lijk’, ‘-lijks’ of ‘-loos’? Dan schrijf je geen ‘n’, maar wel een ‘e’: huiselijk, dagelijks, sprakeloos.
    (Een gevolg van deze regel is dat je sommige woorden op twee manieren mag schrijven: ‘ongelooflijk’ en ‘ongelofelijk’ zijn beide goed bijvoorbeeld. Het is maar hoe je het uitspreekt.)
  • Hoor je een uh-klank in het midden? Is het achtervoegsel ‘-achtig’ of ‘-dom’? En eindigt het meervoud van het grondwoord altijd op ‘en’. Dan schrijf je een ‘n’: meidenachtig, vorstendom
  • Hoor je een uh-klank in het midden? Is het achtervoegsel ‘-achtig’ of ‘-dom’? En eindigt het meervoud van het grondwoord op een ‘s’ of ‘n’? Dan schrijf je een ‘e’: lenteachtig, vedettedom

Wel of geen tussen-n, enkele voorbeelden

Graag bekijk ik nog een aantal voorbeelden waarover veel mensen twijfelen:

 

Hopelijk of hopenlijk?

Het is ‘hopelijk’. Je hoort een uh-klank en het achtervoegsel is ‘-lijk’

 

Gezamelijk of gezamenlijk?

Het is ‘gezamenlijk’. Ondanks dat je een uh-klank hoort en dat het achtervoegsel ‘-lijk’ is. In dit geval omdat het hoofdwoord een vervoeging van ‘samen’ is. En daar staat een ‘n’, die je dus laat staan.

 

Kosteloos of kostenloos?

Het is ‘kosteloos’. Vanwege het achtervoegsel ‘-loos’. Overigens lees je ook vaak ‘kostenloos’. Vanuit de redenering dat het hoofdwoord ‘kosten’ is. Maar het hoofdwoord komt van het (in onbruik geraakte) enkelvoud: ‘de kost’ (van iets). Maar dat weet uiteraard niet iedereen. ‘Kostenloos’ komt zelfs zo vaak voor (en is als je de herkomst van het woord niet kent erg logisch) dat de website Onzetaal.nl aangeeft dat je ook ‘kostenloos’ mag schrijven. Behalve als je in het onderwijs of bij de overheid werkt.

9. Spellingscontrole en oefenhulp

Zoals gezegd: erg gemakkelijk zijn de regels voor de tussen-n niet. Gelukkig bieden spellingscorrectors in deze gevallen meestal hulp. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de spelling van werkwoorden. Dat komt omdat bij de tussen-n een van beide varianten vaak fout is, terwijl bijvoorbeeld ‘vind’ en ‘vindt’ beide bestaan. Extra reden dus die regels goed in je op te nemen. Kun je daarbij wel wat hulp gebruiken? Volg dan onze e-learning Foutloos Nederlands. In 2 uur leer je de belangrijkste regels voor spelling en grammatica. Momenteel voor slechts € 19,95.




Top
chat