Loo van Eck | de grootste opleider in schrijven

Hoe vind je de persoonsvorm en het onderwerp in een zin?

Welke lidwoorden kun je voor een zelfstandig naamwoord zetten?

Wat zijn voorbeelden van bijvoeglijke naamwoorden?  

 

Waarschijnlijk wist je vroeger met gemak de antwoorden op deze vragen. Omdat je de regels en begrippen leerde in de schoolbanken. Maar de kans is groot dat die kennis door de jaren heen een beetje is weggezakt. Je moet dagelijks immers al over zóveel andere dingen nadenken. Wil jij je kennis van de grammatica weer even opfrissen? Lees dan vooral verder!

Persoonsvorm

De persoonsvorm is het werkwoord dat bij het onderwerp in een zin hoort. Je herkent de persoonsvorm op 2 manieren:

 

  1. Verander de tijd van de zin: de persoonsvorm is dan het woord dat verandert.

De man loopt op straat.

De man liep op straat.

 

  1. Maak een vraagzin van de zin: de persoonsvorm is dan het woord dat vooraan staat.

Loopt de man op straat?

Onderwerp

Je herkent het onderwerp door de vraag ‘wie of wat + persoonsvorm?’.

 

Bijvoorbeeld: De man loopt op straat.

Wie of wat loopt op straat? Antwoord: de man.

Werkwoord

Een werkwoord geeft een handeling of een toestand aan.

 

Bijvoorbeeld: lopen, kijken, liggen, fietsen, drinken, verhuizen, ontstaan.

Stam

De stam is het hele werkwoord zonder –en. Je hebt de stam nodig om te bepalen hoe een voltooid deelwoord eindigt: met een d of een t.

 

Hele werkwoord: fietsen

Stam: fiets

 

Eindigt de stam op een t, x, k, f, s, c, h of p? Dan schrijf je een ‘t’. Anders een ‘d’. Meer informatie over werkwoordspelling en het ezelbruggetje ’t ex-kofschip vind je in de blog Werkwoordspelling: vergis je nooit meer in d, t of dt.  

Zelfstandig naamwoord

Een zelfstandig naamwoord is een woord waar je een lidwoord (de, het, een) voor kunt zetten.

 

               De/een man loopt op straat.

               Het/een huis is groot.

Bijvoeglijk naamwoord

Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over het zelfstandig naamwoord.

 

               De lange man.

               Het grote huis.  

Bezittelijk voornaamwoord

Een bezittelijk voornaamwoord geeft aan van wie iets is.

 

               Jouw huis is groot.

               Mijn werk is leuk.

Alle taalregels altijd op zak hebben?

Download onze gratis app ‘Loo van Eck’ in de App Store of de Play Store. Dan heb je deze uitleg én vele andere taalregels altijd bij je op je telefoon. Een uitgebreide beschrijving van alle taalregels vind je op de website onzetaal.nl.

Wat uitgebreider stilstaan bij alle regels en uitzonderingen van de Nederlandse taal?

Doe in ongeveer 2 uur onze e-learning Foutloos Nederlands. Of volg onze 1-daagse training Spelling en grammatica. Wij beloven niet dat je daarna nooit meer een foutje maakt. Maar wel dat je alle regels en uitzonderingen van de Nederlandse taal weer vers in je geheugen hebt. Zodat je zekerder bent tijdens het schrijven!




Top
chat